Op oorlogsavontuur naar Korea

(dit artikel werd op zaterdag 27 juli gepubliceerd via De Persdienst) 

“Een rauwe hap”, zo omschrijft Hans Visser (83) met een glimlach de groep Nederlanders die zich vrijwillig meldden om mee te vechten in de Koreaanse oorlog (1950-1953). “Avonturiers, gelukszoekers – en vrijbuiters zoals ik.” Dit weekend wordt Visser op handen gedragen in Zuid-Korea, die vandaag het zestigste jubileum viert van de wapenstilstand waarin de oorlog eindigde.

“Ook de Koreanen die in ons bataljon werkten zijn erbij”, vertelt Visser over de festiviteiten dit weekend. “Zij lopen dan trots rond met hun Nederlandse baret op, geweldig vind ik dat. Dat waren toen hele arme Koreanen en zijn nu rijke ondernemers.” Ondanks dat Noord- en Zuid-Korea tot op de dag van vandaag geen vrede hebben gesloten, ervaart de Nederlandse veteraan de dankbaarheid van de Zuid-Koreanen. Terwijl Noord-Korea vandaag behoort tot de armste landen ter wereld, is het zuiden intussen een grote speler in de wereldeconomie. “Jongeren komen zelfs naar me toe om me te bedanken voor hun vrijheid. Het is indrukwekkend dat Korea zo hard gewerkt hebben om het land op te bouwen.”

De vrijheid lonkte voor de Koreanen aanvankelijk in 1945 toen de onderdrukkende Japanse kolonisten werden verdreven door de Sovjets en Amerikanen, maar deze bevrijders scheurden het land ideologisch in tweeën. Niet berekend op een inval van het noorden werden de Amerikanen al snel diep tot in het Zuiden teruggedrongen. Visser las toen een advertentie in de krant. Nederland moest net als andere VN lidstaten mariniers en soldaten sturen om de Amerikanen bij te staan. “Ik was 21 en had de oorlogsjaren in Amsterdam meegemaakt, ik wist wat bezetting was. Toen oorlog uitbrak in Korea ben ik er over gaan lezen en kwam ik erachter dat ze weinig vrijheid hadden met een niet zo fijne Japanse bezetting. Ik had ook een hekel aan het communisme.”

Nederland leverde de militairen niet van harte. Na aanvankelijk weigeren mee te doen, voerde de VS de druk op door te dreigen met korting op de Marshallhulp. In Roosendaal werden gedurende de Koreaanse oorlog duizenden militairen klaargestoomd om naar een land te gaan waar de meesten geen idee hadden hoe het daar was. “Een heel vreemd land natuurlijk. Ik was nooit echt op reis geweest en dan kom je daar aan. We hadden geen idee wat ons te wachten stond. Voorlichting over het land kregen we niet, over de ijskoude winters bijvoorbeeld. Ik was ook nooit militair geweest, dus had niet echt een idee van hoe het is om militair te zijn.”

Visser hoefde niet alleen zijn loop te richten op de Noord-Koreanen en Chinezen. Hij moest ook een tijdje een oorlogsgevangeniskamp bewaken in Geojae. “Daar zag ik hele jonge jongens die zo van school geplukt waren om mee te vechten, jaar of vijftien oud. Ik heb een Noord-Koreaanse jongen moeten bewaken waarmee ik kon praten en een sigaretje kon delen. Hij vertelde me dat ie voor tandarts studeerde maar zo uit school werd getrokken. Dat zijn trieste verhalen.” In de bases in de bergen kwam hij meer treurnis tegen. “ De enige foto die ik nog heb is er een van kleine kinderen van jaar of zes, zeven die bij ons kwamen bedelen voor wat soep. Waarschijnlijk weeskinderen die in de bergen rondzwierven. Die foto koester ik, soms vraag ik me af wat er van die kinderen geworden is.” Zelf bleef Visser vrijbuiter. Ondanks dat hij afgekeurd werd wegens posttraumatische stress van de bloedige oorlog (zo’n 120 Nederlanders kwamen om het leven), was hij succesvol ondernemer en woont nu in Thailand. “De meesten kampen daar mee, maar het is belangrijk te weten hoe er mee om te gaan. Ik ben een gelukkig mens.”

Als Visser uitgepraat is, stapt hij de bus uit. Weer een rode loper ligt klaar voor een receptie. Een militair orkest warmt een muzikale avond op. Tot en met maandag woont hij samen met andere veteranen nog meer ceremonies bij waar ze als prinsen worden behandeld. “ We praten weinig over dingen die gebeurd zijn, het gaat meer om het samen zijn.”