Yeonpyeong, een gewoon dorp

(Deze lange reportage van een bezoek aan Yeonpyeong in februari 2011 is niet eerder gepubliceerd in deze vorm)

Het Zuid-Koreaanse eiland Yeonpyeong werd hard geraakt door een zeldzame aanval van aartsvijand Noord-Korea. Maar geen bewoner die overweegt het eilanddorp midden in de conflictzone te verlaten. Vastberaden het eilanddorp in zijn rust te herstellen, keerden nagenoeg alle gevluchte bewoners na de aanval weer terug. Angst? “Daar moeten we dan maar mee leven.”

Een soldaat duwt verveeld zijn schoenzool dubbel tegen het hek. Als hij me zwaaiend ziet staan, een paar honderd meter verderop, pakt hij zijn verrekijker en zwaait terug. Eenmaal uitgezwaaid turen we allebei weer vanaf onze uitkijkposten naar de noorderburen. ‘Lang Leve de Grote Revolutionaire Kameraad Kim Il-sung’, staat in de bergen daar aan de overkant met Hollywoodletters geschreven. De Noord-Koreaanse leider die er geprezen wordt stierf in 1994, maar zijn zoon Kim Jong-Il houdt tot op de dag van vandaag zijn vaders communistische ideologie fier in stand. Het kapitalistische Zuid-Korea is nog steeds vijand nummer één – een erfenis van de tweede wereldoorlog: de Sovjets en Amerikanen bevrijdden de Koreanen van hun kolonisator Japan, maar lieten het land verdeeld achter. Er volgde een burgeroorlog die na drie jaar in 1953 niet eindigde in vrede, maar in een wapenstilstand. De Verenigde Naties trokken toen een lijn over de 38ste breedtegraad die sindsdien een zwaar gemilitariseerde grens vormt. Hier, vlak voor het bergachtige eilandje Yeonpyeong ligt die grens waar de twee vijanden elkaar stilletjes in de gaten houden. Met een zuchtje wind is zelfs de zee amper te horen. Verderop dobberen de oorlogsschepen met hun neus naar de vijand. Startklaar voor een oorlog, al bijna zestig jaar lang. Een paar keer rukten de schepen uit toen de vijand de grens overschreed, maar de burgers op het eilandje merkten nooit iets van de schermutselingen die met een sisser afliepen. Tot op die ene dinsdagmiddag op 23 november 2010.

Toen brak de hel los op dit stille oord.  Nadat Zuid-Korea zijn jaarlijkse militaire oefeningen op zee aankondigde, werd Noord-Korea woedend. Ze dreigden flink terug te slaan indien de militaire krachtshow pal voor hun neus plaats zou vinden. Gezien het Noorden zijn groteske dreigtaal nooit omzet in daden, verwachtte niemand dat het land daadwerkelijk 170 artilleriegranaten af zou vuren toen de oefeningen gewoon doorgingen. Honderd ervan belandden op het eiland, waar achter de soldaten in de heuvels ook nog zo’n veertienhonderd dorpelingen wonen. Gewone mensen, die stomtoevallig aan de frontlinie van de neverending war wonen; families die in 1953 door de VN toebedeeld werden aan het Zuiden en daarom tachtig kilometer van hen vaste moederland wonen terwijl het Noord-Koreaanse vasteland maar twaalf kilometer verderop ligt. Maar nooit heeft het leven op de gespannen scheurlijn van de twee Korea’s de bewoners doen overwegen te vertrekken. Direct na de aanval in november werd het dorp geëvacueerd, maar nagenoeg alle bewoners peinsden er niet over om voorgoed op hun schuilplaats op het vasteland te blijven. Ondanks dat er zo’n dertig huizen plat zijn gebombardeerd, keerden nagenoeg alle Yeonpyeongers onlangs terug naar huis.

Op steenworp afstand van de militaire uitkijkposten en bases, ligt het dorp. Gescheiden van de soldaten met muren, hekken, prikkeldraad en heuvels. Maar met de oppervlakte van het eiland  dat gelijk is aan Rottumerplaat, is dagelijks contact tussen de bewoners en de soldaten onvermijdelijk. De militairen rijden rond in het dorp in hun legertrucks, op weg voor een boodschap in de lokale gemakswinkel of om in een van de restaurants te gaan te eten. Die zijn sinds kort allemaal weer open, en de huizen weer bewoond. Een paar oudere vrouwen keutelen er rond als door de overheid ingehuurde bouwvakkers nieuwe ramen en puien aan het inzetten zijn bij de buren. Bij zowat iedereen gingen de ruiten aan diggelen door de explosies van de bommen. De bewoners zelf bleven ongedeerd. Fysiek tenminste. Mun Ok-ja (74) wandelt naar buiten als bouwvakkers bij haar buren een compleet nieuwe pui aan het inzetten zijn. Haar verhaal is typisch voor de gemiddelde bewoner van Yeonpyeong. Veel van de dorpsbewoners vertellen dat ondanks de traumatische ervaring het ontzettend fijn is om terug te zijn op het eiland. “Ik schrik nog enorm van harde geluiden en heb regelmatig nachtmerries. Dan droom ik dat mijn huis instort. Toch heb ik het gevoel dat ik hier moet blijven wonen. Yeonpyeong moet voortbestaan. Ik probeer te geloven dat zo’n ramp nooit meer zal plaatsvinden.”

Mun is er nog goed vanaf gekomen. De roekeloze actie van de Noord-Koreanen liep voor een aantal van haar dorpsgenoten heel anders af. Op willekeurige plekken zijn uitgebrande huizen te zien, soms tot de grond toe, soms staan de muren nog netjes overeind. De puinhopen liggen er nog net zo bij als drie maanden geleden. Zo wandelt een vrouw door haar met glas bezaaide achtertuin. “De buren hadden een paar olievaten staan”, zegt ze. Het huis van de buren ligt flink in puin. Terwijl bij haar thuis de fabrieksfolie nog op de kunststof kozijnen zit, blijven de gebombardeerde huizen nog onaangeraakt. Een van de redenen is dat de regering het dorp gebruikt als etalage voor zijn ‘security awareness’ campagne. De regering wil het Zuid-Koreaanse volk laten zien dat Noord-Korea een onberekenbare natie is die de vrede in een doodnormaal dorp zoals Yeonpyeong bruut kan verstoren. ‘Dit kan ook bij u thuis gebeuren, steun onze harde lijn tegen Noord-Korea’, zo luidt de Zuid-Koreaanse propaganda. Het plaatje werkt. Met zijn rotsachtige berglandschap, kronkelende kleine straatjes en steegjes met veel kleurloze laagbouw ziet Yeonpyeong eruit als ieder ander  Koreaans dorp. Een dorp waar de deur niet op slot gaat, maar iedereen bij elkaar over de vloer komt. Simpele huisjes waarin families nog gezamenlijk in één ruimte op de vloer slapen. Maar wel met een flatscreen aan de muur en een HD schotel op het dak, zoals overal in het technisch geavanceerde Korea. En ook de bunkers an sich zijn voor de gemiddelde Koreaan niets exotisch. Zelfs in de hoofdstad staan borden die aangeven dat het betreffende metrostation ook als bunker dient waar men dekking dient te zoeken mocht de vlam in de pan slaan. En met zijn tweejarige dienstplicht zijn soldaten ook door het hele land te vinden.

Het zijn de zwarte kraters die laten zien dat er op dit verder zo gewone dorp iets bijzonders is gebeurd. Hier werd de wapenstilstand voor één dag doorbroken. Dit is de plek waardoor het hele land wekenlang in rep en roer was waarbij de Zuid-Koreanen niet zozeer boos waren op zijn noorderbuur, maar vooral op de eigen regering. Het leger zou niet snel genoeg en te soft gereageerd hebben op de aanval van de in hun ogen meedogenloze noorderburen. De bevolking wees zijn vinger naar een gat in de Zuid-Koreaanse defensie: het leger beschermt ons niet goed genoeg! Dat liet president Lee Myung Bak zich geen twee keer zeggen. Hij stond al bekend om zijn harde lijn tegen Noord-Korea en trok dan ook alles uit de kast om te laten zien dat er met Yeonpyeong niet te spotten valt. Behalve veel politieke statements tegen het Noorden, werden er meer soldaten naar het eilandje gestuurd. De eilandbewoners werden intussen tijdelijk gehuisvest op het vasteland. Twintig miljoen euro werd uitgetrokken om het dorp in zijn originele doen te herstellen zodat ze snel weer terug konden keren om het plaatje der volharding compleet te maken. Het eiland onbewoond achterlaten zou immers de kers op de taart zijn voor Noord-Korea.

De eilandbewoners klagen niet over de regeling van de overheid. De slachtoffers kregen een compensatie en een nieuw huis. De 81-jarige Geum-hwa Lee is één van de ongeveer dertig bewoners wiens huis getroffen werd. Ze sjokt achter haar als rollator dienst doende kinderwagen. Daarin een boodschappentas. “Ik ben net naar de winkel geweest om schaaltjes te kopen. Voor dat soort kleine boodschappen moet ik telkens de deur uit”, zucht ze. Ze is pas teruggekeerd naar het eiland waar ze tijdelijk is ondergebracht in één van de montagewoningen die op het speelveld van de basisschool zijn gezet. Binnen in de blokhut-achtige woning die ze nog geen twee weken geleden betrok, wijst ze op een stapel papieren. “Hier kan ik kiezen welk type huis ik wil.” Haar compensatie van vijfentwintigduizend euro heeft ze al ontvangen, zegt ze. Haar nieuwe huis moet voor oktober af zijn. “Ik zag mijn huis in vlammen opgaan toen ik het eiland verliet en voel me nog steeds erg gedesoriënteerd.” Of ze zich door de situatie geen politieke speelbal vindt? “Ik ben dankbaar voor de hulp en de compensatie die ik heb gekregen” reageert ze ontwijkend. “Maar ik heb grijze haren van gekregen van de hele nasleep”, voegt ze er als enig minpuntje aan toe.

Buiten op het speelveld rennen een paar kinderen vrolijk rond. Maar net als de timmermannen kunnen die de pittoreske stilte niet overstemmen. “En dat wil ik graag zou houden”, zegt Tae-hwan Park (65). Een van de kamers in zijn huis aan de boulevard dient als restaurant; veel Koreanen hebben hun zaak in hun woonruimte. Oesters met rijst is de specialiteit, het gangbare gerecht op het eiland. “De komst van arbeiders en journalisten is goed voor de zaken, maar ik heb liever rust dan veel geld”, vertelt hij over de golf van aandacht die het eiland kreeg. Na zijn evacuatie miste hij het eiland als snel en keerde binnen nog geen twee weken terug naar zijn restaurant om te koken voor de arbeiders, vrijwilligers en militairen. Hoewel hij gesteld is op zijn rust, blijft wat Park betreft een bescheiden stroom aan gasten op het eiland welkom. Ook de overheid probeert toerisme te stimuleren met onlangs de belofte van een grotere boot op de veerlijn en financiële injecties in toeristische spots. “Maar ik zie het toerisme op het eiland somber in. Na een schietincident in 2002 kwam het eiland al negatief in het nieuws; de televisiebeelden van het bombardement zullen nu nog meer mensen afschrikken.” Park heeft echter moeite potentiële toeristen gerust te stellen. “Ik ben zeker wel bezorgd dat er iets kan gebeuren. Maar daar moeten we maar mee leven.”

Naast de uitkijkpost is een strandje vooralsnog de enige toeristische attractie op het eiland. De wandeling er naar toe gaat over heuvels die afgezet zijn met prikkeldraad. Langs de kant van de weg hier en daar een trainingsbaan voor de militairen en overal zijn wel wachtposten te zien. Zo nu en dan rijdt er een legertruck voorbij, de soldaten zwaaien vriendelijk. Ongezien over het eiland bewegen zit er niet in. Bij het eveneens met prikkeldraadhekken afgezette strand een tropisch terras dat er nu in de ijskoude winter treurig bijligt. De hekken staan wel open. Een groepje soldaten komt een kijkje nemen op het half uit grind bestaande strand, aan hun lijf hangen grote geweren. Stoere zonnebrillen op. “Hello!” schreeuwt een vrolijke Koreaanse versie van Sylvester Stallone. Hier lopen namelijk de echte bikkels rond, de hardcore soldaten die massaal solliciteerden toen de regering bekend maakte het leger op het eiland uit te breiden. Dit zijn niet de dienstplichtigen die met lange tanden hun dienst uitzitten, maar patriottische jongens die kiezen voor de zwaarste mogelijkheid om aan hun dienstplicht te voldoen. Gedisciplineerde jongens. Daarom klaagt ook niemand van de bewoners over de soldaten. Restauranthouder Park: “Het is goed dat ze er zijn. Ik ben alleen bang dat we nog meer land kwijtraken aan de soldaten, dat land hebben we nodig om onze groenten te verbouwen.” De zorg van de bewoners gaat altijd over kunnen eten en drinken, niemand rept over politiek of het leger. Om bij te verdienen doet Park gemeentelijke klusjes als wat we in Nederland plantsoenwerker zouden noemen: een soort bijstand voor de bewoners. Om het eiland te steunen heeft de gemeente (Incheon) de laatste tijd extra klusjes uitgezet. Het levert ongeveer dertig euro per dag op. Het strand ontdoen van weggewaaide takken is zo’n taak die terwijl Park praat buiten wordt uitgevoerd. “En in juni ga ik weer vissen.”

Volharden is het motto onder de bewoners. Als de veerboot aankomt stroomt de boot leeg met bewoners, familie van bewoners, arbeiders, vrijwilligers en soldaten. Een priester van één van Seoul’s grootste protestante kerken laadt samen met een soldaat een legertruck vol met cake en andere lekkernijen. “We komen de soldaten een hart onder de riem steken”, zegt hij. De legerbasis heeft zijn eigen protestante kerk. In het dorp zelf is de katholieke kerk met 460 leden de grootste kerk. Volgens de priester van die kerk, Francisco, zijn de trauma’s de grootste zorg. “De bommen raakte onze huizen, maar het voelt alsof onze harten geraakt zijn”, zegt hij. De kerkdienst in de pas gerepareerde kerk zit er net op. Op de linkerrij zaten de katholieke soldaten, rechts de bewoners. “De gemeenschap stond onder druk door gekibbel om zaken zoals financiële compensatie van de overheid. Ik heb in mijn missen benadrukt dat we niet hebberig moeten worden en dat we ons niet uit elkaar moeten laten drijven.” Francisco neemt de taak op zich te zorgen voor de bewoners die last hebben van trauma’s. “Er is therapeutische nazorg van de overheid, maar dat is niet voldoende. Materiële schade is snel gerepareerd, maar mentaal zal het langer duren.” De serieuze toon van de priester, die zelf ook in een van de tijdelijke huisjes woont, zet zich snel weer om in een vrolijke. Na drie maanden is de groep kerkgangers weer compleet en dat wordt gevierd met een uitgebreide lunch in het gemeenschapshuis van de kerk, waar sinds kort de waterleidingen weer werken. Er wordt gelachen, gegeten en gedronken – soju, een wodka-achtig rijstdestillaat met zo’n twintig procent alcohol. “We hebben gisteren een varken geslacht en dat eten we nu op”

Het gemeenschapshuis van de priester van de protestantse kerk op het dorp blijft nog leeg. Daar zijn de waterleidingen nog niet gerepareerd. Priester Jung-seob Song maakt zich eveneens zorgen over de mentale impact van de aanval van Noord-Korea. Zijn kerk vormt met honderd leden een stuk kleinere groep. Hij noemt het letterlijk een godswonder dat er geen van de bewoners van het dorp serieus gewond is geraakt – de vier doden waren twee militairen en twee arbeiders van het vasteland. “Het huis van een van mijn kerkgangers werd geraakt door een bom. Ze voelde een spontane ingeving om haar moeder te bezoeken. Dat heeft haar leven gered. Bij een ander spetterden de scherven over de keukentafel, maar raakte niet gewond. Een mirakel.” Beide pastoors vertellen dat ze langer willen blijven dan hun dienstperiodes van een paar jaar. “Totdat de gemoedsrust volledig hersteld is”, zegt Francisco.

Intussen blijven Seoul en Pyongyang bekvechten. Zuid vindt dat Noord zich moet excuseren voor de aanval op Yeonpyeong, Noord vindt dat het een geprovoceerde actie is en dat het aan tafel moet worden uitgepraat, maar Zuid wil niet aan tafel voordat Noord zijn excuses aanbiedt. Het verzandt weer in gescheld en zwartmakerij van beide kanten. Een routineus politiek spelletje dat voor de bewoners van Yeonpyeong weer vanouds een ver-van-mijn-bedshow is. In een restaurant knipt de eigenaresse het vlees op de tafelgrill in stukjes. Ze veert niet op als de naam Yeonpyeong weer eens valt op het journaal. Er wordt niet druk gediscussieerd over Noord-Korea, maar gewoon, over eilanddingen. Dorpszaken. “Er kwam eens een nieuwkomer die het leven op het vasteland niet meer zag zitten. Zijn vrouw was er vandoor gegaan met zijn kapitaal en zijn zaken liepen niet goed. Hier raakte hij aan de alcohol”, vertelt ze terwijl ze het vlees omdraait. “Daar zitten we niet op te wachten. We willen hier op het eiland geen losers.”

Yeonpyeong, een gewoon dorp
Het Zuid-Koreaanse eiland Yeonpyeong werd hard geraakt door een zeldzame aanval van aartsvijand Noord-Korea. Maar geen bewoner die overweegt het eilanddorp midden in de conflictzone te verlaten. Vastberaden het eilanddorp in zijn rust te herstellen, keerden nagenoeg alle gevluchte bewoners na de aanval weer terug. Angst? “Daar moeten we dan maar mee leven.”
Een soldaat duwt verveeld zijn schoenzool dubbel tegen het hek. Als hij me zwaaiend ziet staan, een paar honderd meter verderop, pakt hij zijn verrekijker en zwaait terug. Eenmaal uitgezwaaid turen we allebei weer vanaf onze uitkijkposten naar de noorderburen. ‘Lang Leve de Grote Revolutionaire Kameraad Kim Il-sung’, staat in de bergen daar aan de overkant met Hollywoodletters geschreven. De Noord-Koreaanse leider die er geprezen wordt stierf in 1994, maar zijn zoon Kim Jong-Il houdt tot op de dag van vandaag zijn vaders communistische ideologie fier in stand. Het kapitalistische Zuid-Korea is nog steeds vijand nummer één – een erfenis van de tweede wereldoorlog: de Sovjets en Amerikanen bevrijdden de Koreanen van hun kolonisator Japan, maar lieten het land verdeeld achter. Er volgde een burgeroorlog die na drie jaar in 1953 niet eindigde in vrede, maar in een wapenstilstand. De Verenigde Naties trokken toen een lijn over de 38ste breedtegraad die sindsdien een zwaar gemilitariseerde grens vormt. Hier, vlak voor het bergachtige eilandje Yeonpyeong ligt die grens waar de twee vijanden elkaar stilletjes in de gaten houden. Met een zuchtje wind is zelfs de zee amper te horen. Verderop dobberen de oorlogsschepen met hun neus naar de vijand. Startklaar voor een oorlog, al bijna zestig jaar lang. Een paar keer rukten de schepen uit toen de vijand de grens overschreed, maar de burgers op het eilandje merkten nooit iets van de schermutselingen die met een sisser afliepen. Tot op die ene dinsdagmiddag op 23 november 2010.
Toen brak de hel los op dit stille oord.  Nadat Zuid-Korea zijn jaarlijkse militaire oefeningen op zee aankondigde, werd Noord-Korea woedend. Ze dreigden flink terug te slaan indien de militaire krachtshow pal voor hun neus plaats zou vinden. Gezien het Noorden zijn groteske dreigtaal nooit omzet in daden, verwachtte niemand dat het land daadwerkelijk 170 artilleriegranaten af zou vuren toen de oefeningen gewoon doorgingen. Honderd ervan belandden op het eiland, waar achter de soldaten in de heuvels ook nog zo’n veertienhonderd dorpelingen wonen. Gewone mensen, die stomtoevallig aan de frontlinie van de neverending war wonen; families die in 1953 door de VN toebedeeld werden aan het Zuiden en daarom tachtig kilometer van hen vaste moederland wonen terwijl het Noord-Koreaanse vasteland maar twaalf kilometer verderop ligt. Maar nooit heeft het leven op de gespannen scheurlijn van de twee Korea’s de bewoners doen overwegen te vertrekken. Direct na de aanval in november werd het dorp geëvacueerd, maar nagenoeg alle bewoners peinsden er niet over om voorgoed op hun schuilplaats op het vasteland te blijven. Ondanks dat er zo’n dertig huizen plat zijn gebombardeerd, keerden nagenoeg alle Yeonpyeongers onlangs terug naar huis.
Op steenworp afstand van de militaire uitkijkposten en bases, ligt het dorp. Gescheiden van de soldaten met muren, hekken, prikkeldraad en heuvels. Maar met de oppervlakte van het eiland  dat gelijk is aan Rottumerplaat, is dagelijks contact tussen de bewoners en de soldaten onvermijdelijk. De militairen rijden rond in het dorp in hun legertrucks, op weg voor een boodschap in de lokale gemakswinkel of om in een van de restaurants te gaan te eten. Die zijn sinds kort allemaal weer open, en de huizen weer bewoond. Een paar oudere vrouwen keutelen er rond als door de overheid ingehuurde bouwvakkers nieuwe ramen en puien aan het inzetten zijn bij de buren. Bij zowat iedereen gingen de ruiten aan diggelen door de explosies van de bommen. De bewoners zelf bleven ongedeerd. Fysiek tenminste. Mun Ok-ja (74) wandelt naar buiten als bouwvakkers bij haar buren een compleet nieuwe pui aan het inzetten zijn. Haar verhaal is typisch voor de gemiddelde bewoner van Yeonpyeong. Veel van de dorpsbewoners vertellen dat ondanks de traumatische ervaring het ontzettend fijn is om terug te zijn op het eiland. “Ik schrik nog enorm van harde geluiden en heb regelmatig nachtmerries. Dan droom ik dat mijn huis instort. Toch heb ik het gevoel dat ik hier moet blijven wonen. Yeonpyeong moet voortbestaan. Ik probeer te geloven dat zo’n ramp nooit meer zal plaatsvinden.”
Mun is er nog goed vanaf gekomen. De roekeloze actie van de Noord-Koreanen liep voor een aantal van haar dorpsgenoten heel anders af. Op willekeurige plekken zijn uitgebrande huizen te zien, soms tot de grond toe, soms staan de muren nog netjes overeind. De puinhopen liggen er nog net zo bij als drie maanden geleden. Zo wandelt een vrouw door haar met glas bezaaide achtertuin. “De buren hadden een paar olievaten staan”, zegt ze. Het huis van de buren ligt flink in puin. Terwijl bij haar thuis de fabrieksfolie nog op de kunststof kozijnen zit, blijven de gebombardeerde huizen nog onaangeraakt. Een van de redenen is dat de regering het dorp gebruikt als etalage voor zijn ‘security awareness’ campagne. De regering wil het Zuid-Koreaanse volk laten zien dat Noord-Korea een onberekenbare natie is die de vrede in een doodnormaal dorp zoals Yeonpyeong bruut kan verstoren. ‘Dit kan ook bij u thuis gebeuren, steun onze harde lijn tegen Noord-Korea’, zo luidt de Zuid-Koreaanse propaganda. Het plaatje werkt. Met zijn rotsachtige berglandschap, kronkelende kleine straatjes en steegjes met veel kleurloze laagbouw ziet Yeonpyeong eruit als ieder ander  Koreaans dorp. Een dorp waar de deur niet op slot gaat, maar iedereen bij elkaar over de vloer komt. Simpele huisjes waarin families nog gezamenlijk in één ruimte op de vloer slapen. Maar wel met een flatscreen aan de muur en een HD schotel op het dak, zoals overal in het technisch geavanceerde Korea. En ook de bunkers an sich zijn voor de gemiddelde Koreaan niets exotisch. Zelfs in de hoofdstad staan borden die aangeven dat het betreffende metrostation ook als bunker dient waar men dekking dient te zoeken mocht de vlam in de pan slaan. En met zijn tweejarige dienstplicht zijn soldaten ook door het hele land te vinden.
Het zijn de zwarte kraters die laten zien dat er op dit verder zo gewone dorp iets bijzonders is gebeurd. Hier werd de wapenstilstand voor één dag doorbroken. Dit is de plek waardoor het hele land wekenlang in rep en roer was waarbij de Zuid-Koreanen niet zozeer boos waren op zijn noorderbuur, maar vooral op de eigen regering. Het leger zou niet snel genoeg en te soft gereageerd hebben op de aanval van de in hun ogen meedogenloze noorderburen. De bevolking wees zijn vinger naar een gat in de Zuid-Koreaanse defensie: het leger beschermt ons niet goed genoeg! Dat liet president Lee Myung Bak zich geen twee keer zeggen. Hij stond al bekend om zijn harde lijn tegen Noord-Korea en trok dan ook alles uit de kast om te laten zien dat er met Yeonpyeong niet te spotten valt. Behalve veel politieke statements tegen het Noorden, werden er meer soldaten naar het eilandje gestuurd. De eilandbewoners werden intussen tijdelijk gehuisvest op het vasteland. Twintig miljoen euro werd uitgetrokken om het dorp in zijn originele doen te herstellen zodat ze snel weer terug konden keren om het plaatje der volharding compleet te maken. Het eiland onbewoond achterlaten zou immers de kers op de taart zijn voor Noord-Korea.
De eilandbewoners klagen niet over de regeling van de overheid. De slachtoffers kregen een compensatie en een nieuw huis. De 81-jarige Geum-hwa Lee is één van de ongeveer dertig bewoners wiens huis getroffen werd. Ze sjokt achter haar als rollator dienst doende kinderwagen. Daarin een boodschappentas. “Ik ben net naar de winkel geweest om schaaltjes te kopen. Voor dat soort kleine boodschappen moet ik telkens de deur uit”, zucht ze. Ze is pas teruggekeerd naar het eiland waar ze tijdelijk is ondergebracht in één van de montagewoningen die op het speelveld van de basisschool zijn gezet. Binnen in de blokhut-achtige woning die ze nog geen twee weken geleden betrok, wijst ze op een stapel papieren. “Hier kan ik kiezen welk type huis ik wil.” Haar compensatie van vijfentwintigduizend euro heeft ze al ontvangen, zegt ze. Haar nieuwe huis moet voor oktober af zijn. “Ik zag mijn huis in vlammen opgaan toen ik het eiland verliet en voel me nog steeds erg gedesoriënteerd.” Of ze zich door de situatie geen politieke speelbal vindt? “Ik ben dankbaar voor de hulp en de compensatie die ik heb gekregen” reageert ze ontwijkend. “Maar ik heb grijze haren van gekregen van de hele nasleep”, voegt ze er als enig minpuntje aan toe.
Buiten op het speelveld rennen een paar kinderen vrolijk rond. Maar net als de timmermannen kunnen die de pittoreske stilte niet overstemmen. “En dat wil ik graag zou houden”, zegt Tae-hwan Park (65). Een van de kamers in zijn huis aan de boulevard dient als restaurant; veel Koreanen hebben hun zaak in hun woonruimte. Oesters met rijst is de specialiteit, het gangbare gerecht op het eiland. “De komst van arbeiders en journalisten is goed voor de zaken, maar ik heb liever rust dan veel geld”, vertelt hij over de golf van aandacht die het eiland kreeg. Na zijn evacuatie miste hij het eiland als snel en keerde binnen nog geen twee weken terug naar zijn restaurant om te koken voor de arbeiders, vrijwilligers en militairen. Hoewel hij gesteld is op zijn rust, blijft wat Park betreft een bescheiden stroom aan gasten op het eiland welkom. Ook de overheid probeert toerisme te stimuleren met onlangs de belofte van een grotere boot op de veerlijn en financiële injecties in toeristische spots. “Maar ik zie het toerisme op het eiland somber in. Na een schietincident in 2002 kwam het eiland al negatief in het nieuws; de televisiebeelden van het bombardement zullen nu nog meer mensen afschrikken.” Park heeft echter moeite potentiële toeristen gerust te stellen. “Ik ben zeker wel bezorgd dat er iets kan gebeuren. Maar daar moeten we maar mee leven.”
Naast de uitkijkpost is een strandje vooralsnog de enige toeristische attractie op het eiland. De wandeling er naar toe gaat over heuvels die afgezet zijn met prikkeldraad. Langs de kant van de weg hier en daar een trainingsbaan voor de militairen en overal zijn wel wachtposten te zien. Zo nu en dan rijdt er een legertruck voorbij, de soldaten zwaaien vriendelijk. Ongezien over het eiland bewegen zit er niet in. Bij het eveneens met prikkeldraadhekken afgezette strand een tropisch terras dat er nu in de ijskoude winter treurig bijligt. De hekken staan wel open. Een groepje soldaten komt een kijkje nemen op het half uit grind bestaande strand, aan hun lijf hangen grote geweren. Stoere zonnebrillen op. “Hello!” schreeuwt een vrolijke Koreaanse versie van Sylvester Stallone. Hier lopen namelijk de echte bikkels rond, de hardcore soldaten die massaal solliciteerden toen de regering bekend maakte het leger op het eiland uit te breiden. Dit zijn niet de dienstplichtigen die met lange tanden hun dienst uitzitten, maar patriottische jongens die kiezen voor de zwaarste mogelijkheid om aan hun dienstplicht te voldoen. Gedisciplineerde jongens. Daarom klaagt ook niemand van de bewoners over de soldaten. Restauranthouder Park: “Het is goed dat ze er zijn. Ik ben alleen bang dat we nog meer land kwijtraken aan de soldaten, dat land hebben we nodig om onze groenten te verbouwen.” De zorg van de bewoners gaat altijd over kunnen eten en drinken, niemand rept over politiek of het leger. Om bij te verdienen doet Park gemeentelijke klusjes als wat we in Nederland plantsoenwerker zouden noemen: een soort bijstand voor de bewoners. Om het eiland te steunen heeft de gemeente (Incheon) de laatste tijd extra klusjes uitgezet. Het levert ongeveer dertig euro per dag op. Het strand ontdoen van weggewaaide takken is zo’n taak die terwijl Park praat buiten wordt uitgevoerd. “En in juni ga ik weer vissen.”
Volharden is het motto onder de bewoners. Als de veerboot aankomt stroomt de boot leeg met bewoners, familie van bewoners, arbeiders, vrijwilligers en soldaten. Een priester van één van Seoul’s grootste protestante kerken laadt samen met een soldaat een legertruck vol met cake en andere lekkernijen. “We komen de soldaten een hart onder de riem steken”, zegt hij. De legerbasis heeft zijn eigen protestante kerk. In het dorp zelf is de katholieke kerk met 460 leden de grootste kerk. Volgens de priester van die kerk, Francisco, zijn de trauma’s de grootste zorg. “De bommen raakte onze huizen, maar het voelt alsof onze harten geraakt zijn”, zegt hij. De kerkdienst in de pas gerepareerde kerk zit er net op. Op de linkerrij zaten de katholieke soldaten, rechts de bewoners. “De gemeenschap stond onder druk door gekibbel om zaken zoals financiële compensatie van de overheid. Ik heb in mijn missen benadrukt dat we niet hebberig moeten worden en dat we ons niet uit elkaar moeten laten drijven.” Francisco neemt de taak op zich te zorgen voor de bewoners die last hebben van trauma’s. “Er is therapeutische nazorg van de overheid, maar dat is niet voldoende. Materiële schade is snel gerepareerd, maar mentaal zal het langer duren.” De serieuze toon van de priester, die zelf ook in een van de tijdelijke huisjes woont, zet zich snel weer om in een vrolijke. Na drie maanden is de groep kerkgangers weer compleet en dat wordt gevierd met een uitgebreide lunch in het gemeenschapshuis van de kerk, waar sinds kort de waterleidingen weer werken. Er wordt gelachen, gegeten en gedronken – soju, een wodka-achtig rijstdestillaat met zo’n twintig procent alcohol. “We hebben gisteren een varken geslacht en dat eten we nu op”
Het gemeenschapshuis van de priester van de protestantse kerk op het dorp blijft nog leeg. Daar zijn de waterleidingen nog niet gerepareerd. Priester Jung-seob Song maakt zich eveneens zorgen over de mentale impact van de aanval van Noord-Korea. Zijn kerk vormt met honderd leden een stuk kleinere groep. Hij noemt het letterlijk een godswonder dat er geen van de bewoners van het dorp serieus gewond is geraakt – de vier doden waren twee militairen en twee arbeiders van het vasteland. “Het huis van een van mijn kerkgangers werd geraakt door een bom. Ze voelde een spontane ingeving om haar moeder te bezoeken. Dat heeft haar leven gered. Bij een ander spetterden de scherven over de keukentafel, maar raakte niet gewond. Een mirakel.” Beide pastoors vertellen dat ze langer willen blijven dan hun dienstperiodes van een paar jaar. “Totdat de gemoedsrust volledig hersteld is”, zegt Francisco.
Intussen blijven Seoul en Pyongyang bekvechten. Zuid vindt dat Noord zich moet excuseren voor de aanval op Yeonpyeong, Noord vindt dat het een geprovoceerde actie is en dat het aan tafel moet worden uitgepraat, maar Zuid wil niet aan tafel voordat Noord zijn excuses aanbiedt. Het verzandt weer in gescheld en zwartmakerij van beide kanten. Een routineus politiek spelletje dat voor de bewoners van Yeonpyeong weer vanouds een ver-van-mijn-bedshow is. In een restaurant knipt de eigenaresse het vlees op de tafelgrill in stukjes. Ze veert niet op als de naam Yeonpyeong weer eens valt op het journaal. Er wordt niet druk gediscussieerd over Noord-Korea, maar gewoon, over eilanddingen. Dorpszaken. “Er kwam eens een nieuwkomer die het leven op het vasteland niet meer zag zitten. Zijn vrouw was er vandoor gegaan met zijn kapitaal en zijn zaken liepen niet goed. Hier raakte hij aan de alcohol”, vertelt ze terwijl ze het vlees omdraait. “Daar zitten we niet op te wachten. We willen hier op het eiland geen losers.”Yeonpyeong, een gewoon dorp
Het Zuid-Koreaanse eiland Yeonpyeong werd hard geraakt door een zeldzame aanval van aartsvijand Noord-Korea. Maar geen bewoner die overweegt het eilanddorp midden in de conflictzone te verlaten. Vastberaden het eilanddorp in zijn rust te herstellen, keerden nagenoeg alle gevluchte bewoners na de aanval weer terug. Angst? “Daar moeten we dan maar mee leven.”
Een soldaat duwt verveeld zijn schoenzool dubbel tegen het hek. Als hij me zwaaiend ziet staan, een paar honderd meter verderop, pakt hij zijn verrekijker en zwaait terug. Eenmaal uitgezwaaid turen we allebei weer vanaf onze uitkijkposten naar de noorderburen. ‘Lang Leve de Grote Revolutionaire Kameraad Kim Il-sung’, staat in de bergen daar aan de overkant met Hollywoodletters geschreven. De Noord-Koreaanse leider die er geprezen wordt stierf in 1994, maar zijn zoon Kim Jong-Il houdt tot op de dag van vandaag zijn vaders communistische ideologie fier in stand. Het kapitalistische Zuid-Korea is nog steeds vijand nummer één – een erfenis van de tweede wereldoorlog: de Sovjets en Amerikanen bevrijdden de Koreanen van hun kolonisator Japan, maar lieten het land verdeeld achter. Er volgde een burgeroorlog die na drie jaar in 1953 niet eindigde in vrede, maar in een wapenstilstand. De Verenigde Naties trokken toen een lijn over de 38ste breedtegraad die sindsdien een zwaar gemilitariseerde grens vormt. Hier, vlak voor het bergachtige eilandje Yeonpyeong ligt die grens waar de twee vijanden elkaar stilletjes in de gaten houden. Met een zuchtje wind is zelfs de zee amper te horen. Verderop dobberen de oorlogsschepen met hun neus naar de vijand. Startklaar voor een oorlog, al bijna zestig jaar lang. Een paar keer rukten de schepen uit toen de vijand de grens overschreed, maar de burgers op het eilandje merkten nooit iets van de schermutselingen die met een sisser afliepen. Tot op die ene dinsdagmiddag op 23 november 2010.
Toen brak de hel los op dit stille oord.  Nadat Zuid-Korea zijn jaarlijkse militaire oefeningen op zee aankondigde, werd Noord-Korea woedend. Ze dreigden flink terug te slaan indien de militaire krachtshow pal voor hun neus plaats zou vinden. Gezien het Noorden zijn groteske dreigtaal nooit omzet in daden, verwachtte niemand dat het land daadwerkelijk 170 artilleriegranaten af zou vuren toen de oefeningen gewoon doorgingen. Honderd ervan belandden op het eiland, waar achter de soldaten in de heuvels ook nog zo’n veertienhonderd dorpelingen wonen. Gewone mensen, die stomtoevallig aan de frontlinie van de neverending war wonen; families die in 1953 door de VN toebedeeld werden aan het Zuiden en daarom tachtig kilometer van hen vaste moederland wonen terwijl het Noord-Koreaanse vasteland maar twaalf kilometer verderop ligt. Maar nooit heeft het leven op de gespannen scheurlijn van de twee Korea’s de bewoners doen overwegen te vertrekken. Direct na de aanval in november werd het dorp geëvacueerd, maar nagenoeg alle bewoners peinsden er niet over om voorgoed op hun schuilplaats op het vasteland te blijven. Ondanks dat er zo’n dertig huizen plat zijn gebombardeerd, keerden nagenoeg alle Yeonpyeongers onlangs terug naar huis.
Op steenworp afstand van de militaire uitkijkposten en bases, ligt het dorp. Gescheiden van de soldaten met muren, hekken, prikkeldraad en heuvels. Maar met de oppervlakte van het eiland  dat gelijk is aan Rottumerplaat, is dagelijks contact tussen de bewoners en de soldaten onvermijdelijk. De militairen rijden rond in het dorp in hun legertrucks, op weg voor een boodschap in de lokale gemakswinkel of om in een van de restaurants te gaan te eten. Die zijn sinds kort allemaal weer open, en de huizen weer bewoond. Een paar oudere vrouwen keutelen er rond als door de overheid ingehuurde bouwvakkers nieuwe ramen en puien aan het inzetten zijn bij de buren. Bij zowat iedereen gingen de ruiten aan diggelen door de explosies van de bommen. De bewoners zelf bleven ongedeerd. Fysiek tenminste. Mun Ok-ja (74) wandelt naar buiten als bouwvakkers bij haar buren een compleet nieuwe pui aan het inzetten zijn. Haar verhaal is typisch voor de gemiddelde bewoner van Yeonpyeong. Veel van de dorpsbewoners vertellen dat ondanks de traumatische ervaring het ontzettend fijn is om terug te zijn op het eiland. “Ik schrik nog enorm van harde geluiden en heb regelmatig nachtmerries. Dan droom ik dat mijn huis instort. Toch heb ik het gevoel dat ik hier moet blijven wonen. Yeonpyeong moet voortbestaan. Ik probeer te geloven dat zo’n ramp nooit meer zal plaatsvinden.”
Mun is er nog goed vanaf gekomen. De roekeloze actie van de Noord-Koreanen liep voor een aantal van haar dorpsgenoten heel anders af. Op willekeurige plekken zijn uitgebrande huizen te zien, soms tot de grond toe, soms staan de muren nog netjes overeind. De puinhopen liggen er nog net zo bij als drie maanden geleden. Zo wandelt een vrouw door haar met glas bezaaide achtertuin. “De buren hadden een paar olievaten staan”, zegt ze. Het huis van de buren ligt flink in puin. Terwijl bij haar thuis de fabrieksfolie nog op de kunststof kozijnen zit, blijven de gebombardeerde huizen nog onaangeraakt. Een van de redenen is dat de regering het dorp gebruikt als etalage voor zijn ‘security awareness’ campagne. De regering wil het Zuid-Koreaanse volk laten zien dat Noord-Korea een onberekenbare natie is die de vrede in een doodnormaal dorp zoals Yeonpyeong bruut kan verstoren. ‘Dit kan ook bij u thuis gebeuren, steun onze harde lijn tegen Noord-Korea’, zo luidt de Zuid-Koreaanse propaganda. Het plaatje werkt. Met zijn rotsachtige berglandschap, kronkelende kleine straatjes en steegjes met veel kleurloze laagbouw ziet Yeonpyeong eruit als ieder ander  Koreaans dorp. Een dorp waar de deur niet op slot gaat, maar iedereen bij elkaar over de vloer komt. Simpele huisjes waarin families nog gezamenlijk in één ruimte op de vloer slapen. Maar wel met een flatscreen aan de muur en een HD schotel op het dak, zoals overal in het technisch geavanceerde Korea. En ook de bunkers an sich zijn voor de gemiddelde Koreaan niets exotisch. Zelfs in de hoofdstad staan borden die aangeven dat het betreffende metrostation ook als bunker dient waar men dekking dient te zoeken mocht de vlam in de pan slaan. En met zijn tweejarige dienstplicht zijn soldaten ook door het hele land te vinden.
Het zijn de zwarte kraters die laten zien dat er op dit verder zo gewone dorp iets bijzonders is gebeurd. Hier werd de wapenstilstand voor één dag doorbroken. Dit is de plek waardoor het hele land wekenlang in rep en roer was waarbij de Zuid-Koreanen niet zozeer boos waren op zijn noorderbuur, maar vooral op de eigen regering. Het leger zou niet snel genoeg en te soft gereageerd hebben op de aanval van de in hun ogen meedogenloze noorderburen. De bevolking wees zijn vinger naar een gat in de Zuid-Koreaanse defensie: het leger beschermt ons niet goed genoeg! Dat liet president Lee Myung Bak zich geen twee keer zeggen. Hij stond al bekend om zijn harde lijn tegen Noord-Korea en trok dan ook alles uit de kast om te laten zien dat er met Yeonpyeong niet te spotten valt. Behalve veel politieke statements tegen het Noorden, werden er meer soldaten naar het eilandje gestuurd. De eilandbewoners werden intussen tijdelijk gehuisvest op het vasteland. Twintig miljoen euro werd uitgetrokken om het dorp in zijn originele doen te herstellen zodat ze snel weer terug konden keren om het plaatje der volharding compleet te maken. Het eiland onbewoond achterlaten zou immers de kers op de taart zijn voor Noord-Korea.
De eilandbewoners klagen niet over de regeling van de overheid. De slachtoffers kregen een compensatie en een nieuw huis. De 81-jarige Geum-hwa Lee is één van de ongeveer dertig bewoners wiens huis getroffen werd. Ze sjokt achter haar als rollator dienst doende kinderwagen. Daarin een boodschappentas. “Ik ben net naar de winkel geweest om schaaltjes te kopen. Voor dat soort kleine boodschappen moet ik telkens de deur uit”, zucht ze. Ze is pas teruggekeerd naar het eiland waar ze tijdelijk is ondergebracht in één van de montagewoningen die op het speelveld van de basisschool zijn gezet. Binnen in de blokhut-achtige woning die ze nog geen twee weken geleden betrok, wijst ze op een stapel papieren. “Hier kan ik kiezen welk type huis ik wil.” Haar compensatie van vijfentwintigduizend euro heeft ze al ontvangen, zegt ze. Haar nieuwe huis moet voor oktober af zijn. “Ik zag mijn huis in vlammen opgaan toen ik het eiland verliet en voel me nog steeds erg gedesoriënteerd.” Of ze zich door de situatie geen politieke speelbal vindt? “Ik ben dankbaar voor de hulp en de compensatie die ik heb gekregen” reageert ze ontwijkend. “Maar ik heb grijze haren van gekregen van de hele nasleep”, voegt ze er als enig minpuntje aan toe.
Buiten op het speelveld rennen een paar kinderen vrolijk rond. Maar net als de timmermannen kunnen die de pittoreske stilte niet overstemmen. “En dat wil ik graag zou houden”, zegt Tae-hwan Park (65). Een van de kamers in zijn huis aan de boulevard dient als restaurant; veel Koreanen hebben hun zaak in hun woonruimte. Oesters met rijst is de specialiteit, het gangbare gerecht op het eiland. “De komst van arbeiders en journalisten is goed voor de zaken, maar ik heb liever rust dan veel geld”, vertelt hij over de golf van aandacht die het eiland kreeg. Na zijn evacuatie miste hij het eiland als snel en keerde binnen nog geen twee weken terug naar zijn restaurant om te koken voor de arbeiders, vrijwilligers en militairen. Hoewel hij gesteld is op zijn rust, blijft wat Park betreft een bescheiden stroom aan gasten op het eiland welkom. Ook de overheid probeert toerisme te stimuleren met onlangs de belofte van een grotere boot op de veerlijn en financiële injecties in toeristische spots. “Maar ik zie het toerisme op het eiland somber in. Na een schietincident in 2002 kwam het eiland al negatief in het nieuws; de televisiebeelden van het bombardement zullen nu nog meer mensen afschrikken.” Park heeft echter moeite potentiële toeristen gerust te stellen. “Ik ben zeker wel bezorgd dat er iets kan gebeuren. Maar daar moeten we maar mee leven.”
Naast de uitkijkpost is een strandje vooralsnog de enige toeristische attractie op het eiland. De wandeling er naar toe gaat over heuvels die afgezet zijn met prikkeldraad. Langs de kant van de weg hier en daar een trainingsbaan voor de militairen en overal zijn wel wachtposten te zien. Zo nu en dan rijdt er een legertruck voorbij, de soldaten zwaaien vriendelijk. Ongezien over het eiland bewegen zit er niet in. Bij het eveneens met prikkeldraadhekken afgezette strand een tropisch terras dat er nu in de ijskoude winter treurig bijligt. De hekken staan wel open. Een groepje soldaten komt een kijkje nemen op het half uit grind bestaande strand, aan hun lijf hangen grote geweren. Stoere zonnebrillen op. “Hello!” schreeuwt een vrolijke Koreaanse versie van Sylvester Stallone. Hier lopen namelijk de echte bikkels rond, de hardcore soldaten die massaal solliciteerden toen de regering bekend maakte het leger op het eiland uit te breiden. Dit zijn niet de dienstplichtigen die met lange tanden hun dienst uitzitten, maar patriottische jongens die kiezen voor de zwaarste mogelijkheid om aan hun dienstplicht te voldoen. Gedisciplineerde jongens. Daarom klaagt ook niemand van de bewoners over de soldaten. Restauranthouder Park: “Het is goed dat ze er zijn. Ik ben alleen bang dat we nog meer land kwijtraken aan de soldaten, dat land hebben we nodig om onze groenten te verbouwen.” De zorg van de bewoners gaat altijd over kunnen eten en drinken, niemand rept over politiek of het leger. Om bij te verdienen doet Park gemeentelijke klusjes als wat we in Nederland plantsoenwerker zouden noemen: een soort bijstand voor de bewoners. Om het eiland te steunen heeft de gemeente (Incheon) de laatste tijd extra klusjes uitgezet. Het levert ongeveer dertig euro per dag op. Het strand ontdoen van weggewaaide takken is zo’n taak die terwijl Park praat buiten wordt uitgevoerd. “En in juni ga ik weer vissen.”
Volharden is het motto onder de bewoners. Als de veerboot aankomt stroomt de boot leeg met bewoners, familie van bewoners, arbeiders, vrijwilligers en soldaten. Een priester van één van Seoul’s grootste protestante kerken laadt samen met een soldaat een legertruck vol met cake en andere lekkernijen. “We komen de soldaten een hart onder de riem steken”, zegt hij. De legerbasis heeft zijn eigen protestante kerk. In het dorp zelf is de katholieke kerk met 460 leden de grootste kerk. Volgens de priester van die kerk, Francisco, zijn de trauma’s de grootste zorg. “De bommen raakte onze huizen, maar het voelt alsof onze harten geraakt zijn”, zegt hij. De kerkdienst in de pas gerepareerde kerk zit er net op. Op de linkerrij zaten de katholieke soldaten, rechts de bewoners. “De gemeenschap stond onder druk door gekibbel om zaken zoals financiële compensatie van de overheid. Ik heb in mijn missen benadrukt dat we niet hebberig moeten worden en dat we ons niet uit elkaar moeten laten drijven.” Francisco neemt de taak op zich te zorgen voor de bewoners die last hebben van trauma’s. “Er is therapeutische nazorg van de overheid, maar dat is niet voldoende. Materiële schade is snel gerepareerd, maar mentaal zal het langer duren.” De serieuze toon van de priester, die zelf ook in een van de tijdelijke huisjes woont, zet zich snel weer om in een vrolijke. Na drie maanden is de groep kerkgangers weer compleet en dat wordt gevierd met een uitgebreide lunch in het gemeenschapshuis van de kerk, waar sinds kort de waterleidingen weer werken. Er wordt gelachen, gegeten en gedronken – soju, een wodka-achtig rijstdestillaat met zo’n twintig procent alcohol. “We hebben gisteren een varken geslacht en dat eten we nu op”
Het gemeenschapshuis van de priester van de protestantse kerk op het dorp blijft nog leeg. Daar zijn de waterleidingen nog niet gerepareerd. Priester Jung-seob Song maakt zich eveneens zorgen over de mentale impact van de aanval van Noord-Korea. Zijn kerk vormt met honderd leden een stuk kleinere groep. Hij noemt het letterlijk een godswonder dat er geen van de bewoners van het dorp serieus gewond is geraakt – de vier doden waren twee militairen en twee arbeiders van het vasteland. “Het huis van een van mijn kerkgangers werd geraakt door een bom. Ze voelde een spontane ingeving om haar moeder te bezoeken. Dat heeft haar leven gered. Bij een ander spetterden de scherven over de keukentafel, maar raakte niet gewond. Een mirakel.” Beide pastoors vertellen dat ze langer willen blijven dan hun dienstperiodes van een paar jaar. “Totdat de gemoedsrust volledig hersteld is”, zegt Francisco.
Intussen blijven Seoul en Pyongyang bekvechten. Zuid vindt dat Noord zich moet excuseren voor de aanval op Yeonpyeong, Noord vindt dat het een geprovoceerde actie is en dat het aan tafel moet worden uitgepraat, maar Zuid wil niet aan tafel voordat Noord zijn excuses aanbiedt. Het verzandt weer in gescheld en zwartmakerij van beide kanten. Een routineus politiek spelletje dat voor de bewoners van Yeonpyeong weer vanouds een ver-van-mijn-bedshow is. In een restaurant knipt de eigenaresse het vlees op de tafelgrill in stukjes. Ze veert niet op als de naam Yeonpyeong weer eens valt op het journaal. Er wordt niet druk gediscussieerd over Noord-Korea, maar gewoon, over eilanddingen. Dorpszaken. “Er kwam eens een nieuwkomer die het leven op het vasteland niet meer zag zitten. Zijn vrouw was er vandoor gegaan met zijn kapitaal en zijn zaken liepen niet goed. Hier raakte hij aan de alcohol”, vertelt ze terwijl ze het vlees omdraait. “Daar zitten we niet op te wachten. We willen hier op het eiland geen losers.”